Hoe je tijd beleeft = hoe gelukkig je bent

Wat bedoelen mensen als ze zeggen dat de tijd “snel gaat” of “snel is gegaan”?

Ik heb die ervaring nooit, dus ik ben op zoek naar het achterliggende gevoel dat mensen doet concluderen dat de tijd tijdens een bepaalde periode snel voorbij is gegaan.

Ik zie twee mogelijkheden. De eerste: wat men bedoeld is, ik ging tijdens die periode zodanig op in het moment, in het nu, dat ik niet doorhad hoe veel tijd er eigenlijk verstreek. De tweede: wat men bedoeld is, ik was tijdens die periode juist niet in het nu. Het moment ontsnapte doordat ik met mijn hoofd ergens anders was. Ik was mentaal afwezig en daardoor had ik niet door hoe veel tijd er voorbijging. Ik had er meer van moeten genieten.

Mentale afwezigheid

 

“Like time, there’s always time/ On my mind” – Uit de het nummer Older Chests van Damien Rice

In mijn omgeving bivakkeren wat mensen die het vaak nodig achten om te vermelden dat de tijd volgens hen (te) snel verstrijkt. Je kunt er de klok op gelijk zetten.

Dit klinkt mij altijd vrij mysterieus in de oren.

Misschien werpt wat ze daarna zeggen een licht op wat ze eigenlijk proberen over te brengen met zo’n raadselachtig statement.

Een diagnose van een vervlogen periode, wordt vaak opgevolgd met: “En er is nog maar zo weinig tijd over!”

Dat de tijd snel voorbij is gegaan, bleek geen neutrale vaststelling, maar eerder een verzuchting. Het gaat gepaard met een zekere helaasheid.

De implicatie lijkt te zijn: er is nog maar zo weinig tijd over, nu moet ik echt beginnen met ervan te genieten. Dit lijkt mij bewijs voor de tweede interpretatie, volgens welke een beleving van tijd als “snel” veroorzaakt wordt door mentale afwezigheid. Immers, als men er al van had genoten, vanwaar de ongerustheid dat er nog maar beperkte tijd over is? What’s the big deal?

Later komt later

Dit lijkt mij ook een natuurlijke koppeling: mensen die veel bezig met tijd (en hoe snel het al dan niet voorbij gaat, alsof dat kan variëren) hebben meer moeite met het moment waarderen.

Als kleine jongen bracht ik regelmatig vakantieweekendjes door bij ooms en tantes. Eén van mijn tantes was altijd erg streng als het ging om opmerkingen over tijd. Als iemand tijdens het eten begon over “morgen dit” of tijdens het rumikubben iets kwijt moest over “straks dat” volgde een verbale tik op de vingers: “We zijn hier, nu. Later komt later,” sprak mijn tante dan met een streng gezicht.

Dat was een hele waardevolle les: als je bezig bent met tijd, heb je minder plezier. Dan zit je tijdens het avondeten na een leuke dag te balen dat straks alweer het afscheid volgt, ben je tijdens het laatste biertje alvast de werkdag van morgen aan het visualiseren of maal je tijdens die middagwandeling door een schitterend bos over die vergadering die bij terugkomst op de agenda staat.

Dan ontglipt het moment en verzucht je achteraf dat de tijd snel is gegaan.

Zonde.

Wat ben jij?

Waar komt het verschil vandaan – waarom is de snelheid van tijd voor sommige mensen een reële ervaring terwijl anderen daar geen touw aan vast kunnen knopen? Het komt denk ik omdat de ene groep tijd veel meer nodig heeft voor zingeving en identificatie dan de andere.

Het is tijd voor een stukje filosofie van het zelf.

De Britse filosoof Galen Strawson (1952) onderscheidt “Narratives” en “Non-Narratives”. Over de eerste soort mensen schrijft hij:

“Narratives are naturally disposed to experience or conceive of one’s life, one’s existence in time, oneself, in a narrative way, as having the form of a story, or perhaps a collection of stories, and – in some manner – to live in and through this conception.”

Narratives zijn mensen die hun leven en zichzelf in de vorm van een verhaal ervaren én, ten tweede, in en via dit verhaal leven. Het zijn mensen die zich herkennen in de theorie van de Amerikaanse filosoof David Velleman (1952) dat we onszelf uitvinden en in werkelijkheid de personages die we uitvinden zijn,1 of die van Daniel Dennett (1942) dat het zelf “het fictieve personage is dat centraal staat in het verhaal dat we over onszelf vertellen”.2 De Britse neuroloog Oliver Sacks (1933 – 2015) zei het in zijn bekende boek De Man Die Zijn Vrouw Voor Een Hoed Hield nog het duidelijkst :

“Each of us constructs and lives a “narrative”. This narrative is us.”

Volgens filosofen die een ‘narratieve theorie van het zelf’ verdedigen spinnen we verhalen over onszelf en zijn we die verhalen.

Zulke mensen zijn – naar het schijnt – continu bezig met hun belevenissen in hun narratieve identiteit te verweven. Voor zo’n verhaal is verleden en toekomst, in andere woorden: tijd, nodig. Voor hun zingeving en identiteit is het nodig dat ze regelmatig mentaal in het verleden rondzweven, terwijl het heden ongezien passeert en men later concludeert dat de tijd weer eens voorbij is gevlogen.

Non-Narratives

Non-Narratives ervaren hun zelf allerminst als een verhaal en hebben dus ook veel minder behoefte aan tijd.

“I  recognize that I am made up of several persons and that the person that at the moment has the upper hand will inevitably give place to another. But which is the real one? All of them or none?” – W. Somerset Maugham (1874 – 1965), A Writer’s Notebook.

Ik ben een Non-Narrative. Als kleine jongen op logeerweekend gedroeg ik me zo, toen ik vanaf mijn achttiende drie jaar in Tilburg woonde was ik zus, tijdens mijn jaren in Nijmegen anders, en in Budapest ben ik weer verschillend.3 Daar hoeft helemaal geen lijn in te zitten. Sterker nog, het idee dat dat moet – dat er één zelf is dat Maarten is dat zich in zo’n verhaal zou uitdrukken – komt op mij over als diepe conceptuele verwarring. Ik denk niet dat een autobiografische narratief een rol speelt in hoe ik de wereld ervaar, hoewel ik erken dat mijn wereldbeeld en gedrag hevig beïnvloed is door mijn genetische erfenis en sociaal-culturele plaats en tijd.

Zelfkennis komt in stukjes en beetjes: traag, conflicterend, confronterend en als je niet alert bent mis je het. Het is geen kwestie van zelf-determinatie door life-writing. Het is een misvatting dat je jezelf uitvindt.

“There’s always time on my mind,” zong Damien Rice. Het is, in vergelijking, niet zo dat Non-Narratives verlicht zijn en voortdurend in het tijdloze nu bivakkeren. Maar toch, als ik mensen na het eten op zondagavond hoor verzuchten dat de tijd weer veel te snel is gepasseerd, vraag ik me of ze weten wat voor last er van hun schouders zou vallen als ze die bron van negativiteit zouden loslaten.

 

PS. Krijg een beter leven

Ik schrijf een wekelijkse nieuwsbrief waarin ik inzichten van de beste filosoof-lifehackers uitpluis en doorgrond hoe jij hun dieprgravende analyses, effectieve strategieën en vernieuwende perspectieven in kan zetten voor je eigen welvaren.

 


Voetnoten

  1. Bron: Self to Self
  2. Bron: The Self as a Center of Narrative Gravity
  3. Voor Non-Narratives neemt het leven simpelweg nooit de vorm van een verhaal aan. Narratives reageren wellicht met verbazing of zelfs scepticisme op dit statement. Mensen verschillen.
Spread the love