Waarom filosofie altijd eerst komt

Dit is het derde deel van een zevendelige serie over filosofie en het werk van een filosoof. De komede weken publiceer ik elke dinsdag een artikel in deze reeks. Voor een uitleg over het waarom van deze serie, begin met Deel 1.

In Deel 2 beweerde ik dat de filosofie streeft om te begrijpen “hoe dingen samenhangen” en liet ik zien hoe filosofen door die doel na te streven een unieke, waardevolle bijdrage leveren aan de maatschappij.

In dit deel introduceer ik een tweede doel van filosofen – de normatieve werkelijkheid begrijpen – en ga ik je overtuigen van het nut daarvan.

 

Deel III

 

Waarom filosofie altijd eerst komt

 

Deel Twee introduceerde drie rollen die filosofen goed kunnen vervullen: die van bruggenbouwer, die van bewaker en die van spin. Als spin en bruggenbouwer houden ze zich bezig met hoe “dingen, heel breed begrepen, samenhangen, heel breed begrepen.” Als bewaker evalueren ze geldigheid van argumentaties en onthullen ze vooronderstellingen en implicaties van uitspraken.

Filosofen kunnen veel meer.

Neem opnieuw het vrije wil debat. Daarin komen begrippen voor als ‘persoonlijke identiteit’: wat betekenen al die onthullingen over hoe mijn hersenen werken nou over mij?

Dat is een vraag die voor iedereen van groot belang is.

En het is een vraag voor filosofen, niet voor wetenschappers.

Beslissingen

Volgens sommige hersenwetenschappers heb ik bijvoorbeeld geen vrije wil. Wat zegt dat over mij als persoon?

Om te weten wat hersenonderzoek betekent voor existentiële onderwerpen als ‘wie ‘ik’ ben’ en hoe ik ‘mezelf kan blijven’, moeten we eerst weten wat die begrippen betekenen.

Sommige wetenschappers menen dat je ook zulke vragen met louter data en feiten kan beantwoorden.

Dat klopt niet.

Een filosofische vraag gaat namelijk altijd vooraf aan een eventuele wetenschappelijke benadering van zo’n kwestie: wat voor feiten moet je gaan verzamelen om te kunnen bepalen of iemand zichzelf is gebleven?

Wat is dat, ‘jezelf blijven’?

Je moet eerst weten wat je eigenlijk vraagt als je een vraag stelt over zaken als jezelf blijven, vrije wil en persoonlijke identiteit.

Er zijn wellicht feiten over, maar de relevantie van die specifieke feiten voor deze specifieke vraag steunt op beslissingen over gebruikte begrippen.

Dergelijke beslissingen worden nooit expliciet genomen en zijn nooit volledig expliciet te maken maar zijn desondanks hét onderzoeksobject van filosofen.

De woorden bepalen het antwoord

Om überhaupt vragen te kunnen stellen over persoonlijke identiteit heb ik bepaalde begrippen nodig: zonder begrippen zoals ‘mezelf’ en ‘identiteit’ kan ik die vraag niet stellen.

Dit roept de vraag op: welke termen heb ik nodig om iets te kunnen vragen over persoonlijke identiteit?

Dat is geen zeurderig, triviaal punt dat neerkomt op ‘maar we weten allemaal wel ongeveer wat we bedoelen als we het hebben over jezelf zijn’. Het is eerder het tegenovergestelde: een bewering over de juiste woorden voor zulke termen – ‘wat we eigenlijk bedoelen’ – is niet triviaal maar bepaalt voor een groot deel het antwoord.

Waarom?

Omdat een beslissing over welke termen ik moet gebruiken vaststelt wat ik eigenlijk aan het vragen ben: de begrippen die nodig zijn om de vragen te kunnen stellen bepalen het antwoord op de vragen. Om vragen te kunnen stellen over de identiteit van een persoon, moet je begrippen gebruiken die bepalend zijn voor dat wat die identiteit is.

Dat en hoe data over onze hersenen relevant is voor persoonlijke identiteit is een beslissing die genomen moet worden vanwege argumenten en niet data.

Argumenten

Zo is identiteit een begrip waarover je alleen maar kunt filosoferen, omdat je voordat je aan feiten toe kunt komen al bepalende beslissingen hebt genomen over de begrippen die je aan de feiten zouden kunnen helpen.

Voor zulke beslissingen heb je geen feiten nodig maar argumenten over waarom bepaalde woorden de juiste zijn om vragen mee te beantwoorden over bepaalde begrippen. Wie naar de juiste woorden voor bepaalde begrippen zoekt, is dan ook in feite bezig met de constructie van een argument dat stelt dat de gevonden woorden de juiste zijn.

De vragen die filosofen stellen, kunnen niet beantwoord worden met een beroep op de feiten omdat het vragen zijn die beantwoord moeten worden voordat er feiten voorhanden zijn. Zulke puzzels zijn niet op te lossen door het verzamelen data maar alleen door het ontwikkelen van argumenten.

Dat maakt de filosofie niet zweverig, maar juist iets dat noodzakelijkerwijs vooraf gaat aan alle wetenschap: een beroep op de feiten wordt pas mogelijk als filosofische antwoorden al zijn gegeven.

 

PS. Krijg een beter leven

Ik schrijf een wekelijkse nieuwsbrief waarin ik inzichten van de beste filosoof-lifehackers uitpluis en doorgrond hoe jij hun dieprgravende analyses, effectieve strategieën en vernieuwende perspectieven in kan zetten voor je eigen welvaren.

Spread the love