Hoe nuttig is ons onderwijs?

Shit! Weer mis!

Ik heb het niet meer. Ik wil iets kapot maken, maar beheers me nog net.

‘Hopelijk hebben mijn huisgenoten mijn gestamp niet gehoord,’ flitst door mijn hoofd terwijl mijn zelfbewustzijn terugkeert.

Ik zit in mijn studentenkamer, achter mijn bureau. Ik speel ‘Brain Workshop’: een spel waarbij je moet onthouden op welke plek in een raster welke letters in welke volgorde genoemd worden. Ik had meermaals gelezen dat twintig minuten per dag oefenen allerlei voordelen zou hebben.

Maar ik trok het niet meer.

Mijn progressie stokte. Het was frustrerend. Ik had er nooit zin en werd er chagrijnig van.

Nog steeds boos ga ik op zoek naar bronnen volgens welke de voordelen van Brain Workshop niet zo groot waren als gedacht. Dan kon ik tegen mezelf zeggen dat ermee stoppen een rationele beslissing zou zijn en geen falen in wilskracht.

Zo ben ik dan ook wel weer.

Ik vond wat ik zocht. De studies naar het voordeel van ‘Brain Workshop’ bleken dubieus, wat het anekdotische ‘bewijs’ ook meteen in een ander licht zette.

De voordelen leken beperkt te blijven tot ‘domein-afhankelijke’ baten: van hersenspelletjes doen word je beter in het doen van hersenspelletjes. Het ‘domein-onafhankelijke’ nut lijkt nauwelijks te bestaan: van hersenspelletjes doen word je niet slimmer.

Het onderscheid tussen domein-specifiek nut en domein-overkoepelend nut intrigeerde me. Vol enthousiasme en met stijgende verbazing zette ik mijn tanden erin.

Wat ik ontdekte, blies mijn wereldbeeld omver.

Spelletjes zijn voor vermaak

Iets heeft voornamelijk domein-afhankelijke voordelen als de vaardigheid die je traint door er beter in te worden niet overdraagbaar is naar andere domeinen. Iets heeft voornamelijk domein-onafhankelijke voordelen als die overdraagbaarheid er wel is.

Nog een voorbeeld. Schaken. Dat heeft vast wel domein-overkoepelend nut toch, de vaardigheden die je ermee traint? Mis. Puur domein-specifiek. Zelf een schaakliefhebber, ontdekte ik met spijt dat schaken niet zorgt voor een vergroting van je werkgeheugen of denkvaardigheden naast het schaakboard.

Schaken en hersenspelletjes zijn allebei spelletjes. Bij spelletjes is het te verdragen dat vaardigheid daarin niet overdraagbaar is naar andere domeinen. De domein-specifiekheid van spelletjes – dat ze je niet ‘trainen voor het leven’ – is nog wel te verkroppen.

Ik bedoel, kom op, het zijn spelletjes. Je wordt geen Elon Musk door het spelen van spelletjes. Dat voelen we op onze klompen wel aan.

Voor andere dingen zit dat anders, denken we. Het hebben van louter domein-specifieke voordelen is zelf niet domein-overkoepelend: er zijn dingen met een nut breder dan de activiteit zelf, waarvan opgedane kennis en vaardigheden overdraagbaar zijn naar andere domeinen in het leven.

Zoals naar school gaan.

Hoe domein-onafhankelijk is domein-afhankelijkheid?

“We do not study for life, but only for the lecture room.” Seneca (4vC – 65nC)

Helaas: wat we leren in het klaslokaal blijft grotendeels in het klaslokaal.

Er zijn een aantal redenen om te denken dat school-vaardigheid nauwelijks domein-overkoepelend is.

Als school-vaardigheid wel domein-overkoepelend zou zijn, zou je verwachten dat meer onderwijs zorgt voor, bijvoorbeeld, meer economische groei. Die causale relatie blijkt niet te bestaan.

Op individueel niveau zou je daarnaast verwachten dat zij die hoge cijfers halen, later in het ‘echte leven’ het meest succesvol zijn en dat zij die lage cijfers halen of minder onderwijs hebben gehad, minder succesvol zijn.1 Helaas voor de fan van gestandaardiseerd leren barst de geschiedenis van legendes die volgens die redenering hadden moeten falen in het leven zoals Isaac Newton, Albert Einstein en Steve Jobs.

Als school-vaardigheid vooral domein-specifieke voordelen heeft, zou het verschil juist gemaakt moeten door wat we doen als we niet op school zijn. Dat is precies wat onderzoek uitwijst: de betere prestaties van kinderen uit welgestelde milieus komt niet door hogere intelligentie of betere leerkrachten, maar door wat ze naast school verder nog allemaal doen met hun uren.2

In Outliers analyseert schrijver Malcom Gladwell (1963) dit verschijnsel. Hij concludeert:

“Virtually all of the advantage that wealthy students have over poor students is the result of differences in the way privileged kids learn when they are not in school.”

Een later verschil in prestaties tussen mensen die uit verschillende milieus komen is vooral het resultaat van een verschil in tijdsbesteding buiten school.

Formele kennis is bovendien nauwelijks een bijdragende factor aan historishe progressie. Veel vooruitgang in biologie, geneeskunde, economie, technologie en wordt onterecht toegeschreven aan academia. In Antifragile beweert essayist Nassim Taleb (1960) dat

“History has been written by those who want you to believe that reasoning has a monopoly on the production of knowledge. [It doesn’t.] We don’t put theories into practice. We create theories out of practice. Theory [comes] later, in a lame way, to satisfy the intellectual bean counter. [Many] results owe nothing to academizing science.”

Opsommend: onderwijs als het bestuderen van voorverpakte materialen maakt je vooral goed in het bestuderen van voorverpakte materialen. Dat is een vaardigheid met een lage domein-overdraagbaarheid. Goed zijn in school-vaardigheid betekent vooral goed zijn in school-vaardigheid en weinig meer.

Dit meen je niet

Wacht.

Wat???

Ik was goed in school en ontleen daar zelfvertrouwen aan. Ik heb altijd gedacht dat dat veel betekende. Het is deel van wie ik ben.

Maar misschien stelt het niet zoveel voor.

Hoe veel waarde kan ik nog hechten aan een van de enige dingen waar ik ooit echt goed in ben geweest?

Natuurlijk, er is een correlatie tussen de school-vaardigheid en andere dingen in het leven, maar op school lijk je vooral goed te worden in school en niet zozeer in dingen daarbuiten.

Als school al afvalt, doet me dat twijfelen aan het bestaan van prestatiegebieden met domein-onafhankelijke waarde: te trainen vaardigheden die hun domein-specifieke nut overstijgen.

Zouden die er zijn?

 

PS. Krijg een beter leven

Ik schrijf een wekelijkse nieuwsbrief waarin ik inzichten van de beste filosoof-lifehackers uitpluis en doorgrond hoe jij hun dieprgravende analyses, effectieve strategieën en vernieuwende perspectieven in kan zetten voor je eigen welvaren.


Voetnoten

  1. Ook trainen voor tests die we op school moeten maken zorgt niet voor een toename in de vaardigheid die de test verondersteld wordt te meten. Van het oefenen van IQ tests en CITO toetsen – standaard in de hedendaagse schoolcultuur – word je beter in het goed scoren op zulke beproevingen, maar je intelligentie neemt er niet door toe. Dus: hoe meer kinderen oefenen, hoe meer de beproeving domein-specifieke test-maak-vaardigheid meet in plaats van domein-overkoepelende leervaardigheid. De geldigheid van de meetinstrumenten (de tests) neemt af, want ze meten niet meer wat ze geacht worden te meten. Wie houden we voor de gek?
  2. Zoals dit stuk het verwoordt: “The achievement gap really stems from what is not happening for poor children when they are not in school.”
Spread the love