Vroege vogels

Omdat ik tegenwoordig koud douche en acute doodsangst ervaar als ik dat langer dan 2 minuten doe arriveer ik vaak voor half acht bij de universiteit.

Die is dan nog gesloten, maar met mijn PhD-pas kan ik de voordeuren van het hoofdgebouw openen. Elke keer weer voel ik me machtig en kijk ik stiekem om me heen om mijn publiek te aanschouwen en applaudisserende bewonderaars te ontwaren, maar de opkomst valt meestal tegen.

Omdat de bibliotheek pas om acht uur open gaat begin ik de dag in het koffiebarretje op de begane grond.  Gesitueerd in een dode hoek aan het uiteinde van de lange en brede binnenkomsthal met ook nog eens een onwerkelijk hoog plafond, muren van donkergrijs steen en zo’n typische donkere en zielloze limoneumvloer die de hele ruimte van gezelligheid berooft voelt het hier in de ochtend nogal koud aan. Het gebrek aan natuurlijk licht wordt ook niet bepaald meesterlijk opgevangen: ongezellige Tl-buis hier en daar en, voilà, het licht was geschapen.

Het is maar goed dat God geen Hongaar is.

De koffiehoek is om half acht nog niet in bedrijf, maar kent in tegenstelling tot de bibliotheek geen fysieke afsluiting dus je kan ook op dat tijdstip met je laptop aan een tafeltje gaan zitten. Vroeger kon ik de smalltalk nog ontwijken, maar sinds de barristo doorheeft dat dit een dagelijkse routine van mij is kom ik er niet meer van af met enkel een “Goedemorgen!”.

Bijgevolg neem ik nu elke ochtend het leven door met de Hongaarse David Beckham. Op zijn hoofd prijkt steevast een stijlvolle pet en dito bril met zwart frame en vierkante glazen, van waarachter zijn grijsgroene ogen de wereld aanschouwen met een immer mysterieuze blik. Hij heeft een ‘scruff’ baardje waar George Clooney jaloers op zou zijn, een gevulde borstkas en met kleurrijke tattoos gevulde gespierde armen. Zijn broekspijpen zijn altijd opgerold en omdat hij lage schoenen met korte sokken combineert loopt hij rond met ontblootte enkels. Lijkt me koud, zal wel mode zijn. Boven de achterkant van zijn T-shirt is een stukje tattoo zichtbaar dat doorloopt tot in zijn nek.

Toen hij woensdag om vijf over half ging roeken vroeg hij of ik even op de toko wilde letten en voelde ik me vet stoer.

Tien minuten later was hij er weer en vroeg hij me waarom ik er eigenlijk altijd zo vroeg ben.

Ik dacht, waarom niet, het is niet alsof ik iets beters te doen heb, maar dat zei ik niet. Ik legde uit dat ik me ‘s ochtends het beste kan concentreren. Hij vertelde dat hij, toen hij nog leerde, altijd ‘s avonds studeerde en dat hij ochtenden haat. Ik zei dat hij er tegenwoordig toch behoorlijk vroeg uit moet want hij is er altijd eerder dan ik. Dat lukte alleen met heel veel koffie, vertrouwde hij me toe.

“Soms”, begon hij aan het volgende verhaal, “slaap ik door mijn wekker heen en dan moet mijn vriendin me wakker maken. Het is me zelfs al een paar keer overkomen dat ik slapend het alarm uitschakel en doorsnurk.”

Ik vond dat cool maar hij vond van niet.

Het was acht uur en de deuren van de bibliotheek waren geopend, ik moest maar eens aan de slag. Ik betaalde mijn koffie en vertrok naar de vijfde verdieping.

Toen ik negen uur later de uni weer verliet, vol opwinding over de intellectuele stimulatie van de dag, zag ik hem tafels poetsen. Dat aangezicht maakte me somber.

Een raadsel: kwam deze plotselinge inschikkelijkheid voort uit empathie of uit neerbuigendheid? Ik neigde naar het tweede, merkte ik aan mezelf. Waar haal ik het lef vandaan om met medelijden te reageren op iemand wiens dagen op deze manier gevuld zijn?

Maar toch, loslaten lukte niet.

Zou hij gelukkig zijn?

 

PS. Krijg een beter leven

Ik schrijf een wekelijkse nieuwsbrief waarin ik inzichten van de beste filosoof-lifehackers uitpluis en doorgrond hoe jij hun dieprgravende analyses, effectieve strategieën en vernieuwende perspectieven in kan zetten voor je eigen welvaren.

Spread the love