Gevangen in een spiegelzaal: De verrassende invloed van anderen op wat we van onszelf vinden

Het leven kan verkeren.

Stel, je heet Viktor en je bent op het WK voetbal voor nationale elftallen onder zeventien jaar oud één van de beste spelertjes. Topclubs beoordelen je als potentiële wereldster. Daaruit leid je af dat je echt heel goed kan voetballen en dat is niet gek (zij zullen het wel weten, toch?). ‘Lekker bezig Viktor, nu willen alle meisjes uit de klas zeker met jou naar het schoolfeest,’ zeg je tegen jezelf als op je zestiende je eerste schaamhaar begint te groeien.

Enkele jaren later word je topscorer van de Champions League voor clubteams onder twintig. Blijkbaar ben je nog steeds een van de beste voetballers van jouw leeftijd. Iedereen voorspelt je een grote toekomst. ‘Viktor, dit is serieus. Ronaldo, here I come!’

Net achttien scoor je vervolgens twee keer tijdens Ajax – Feyenoord en verkondigt menigeen dat je later bij allergrootste voetballers ter aarde zal horen. ‘Holy shit Viktor, jij bent écht goed!’

In dit scenario zijn Viktors gedachtes dat hij bij de besten van de besten gaat horen best begrijpelijk.

Voorspellen dat Viktor op zijn drieëntwintigste bankzitter is bij een club die vanaf 2009 maar één seizoen meedeed aan de hoogste voetbalcompetitie van haar land, aan de andere kant, zou onlogisch zijn.

Helaas voor de Deense voetballer Viktor Fischer (1994) zou die onwaarschijnlijke prognose wel uitkomen en zijn eigen verklaarbare predictie over zijn toekomstige wereldtop-niveau, niet.

Een verschil

De voetbalkenners die Viktor een grote toekomst toedichtten deden geen gewaagde uitspraak: Viktor was in de jeugd al wereldtop en leek het in zijn eerste jaren bij Ajax ook bij de grote jongens te kunnen. Toch waren al die voorspellingen onjuist.

Inclusief die van Viktor zelf.

Er is gapend gat tussen hoe logisch Viktors deducties over zijn eigen voetbalkwaliteiten waren en hoe onjuist ze bleken te zijn. Als je op meerdere internationale toernooien in meerdere leeftijdscategorieën één van de besten bent en het ook op het hoogste niveau lijkt te gaan waarmaken is het niet raar dat je hieruit concludeert dat je tot de crème de la crème behoort, terwijl later bleek dat dat nogal tegenviel.

Wat verklaart dit gat?

Ik ben wat ik denk dat jij denkt dat ik ben

Hoe kunnen we überhaupt weten hoe goed we in iets zijn?

Er is maar één bron van informatie over hoe goed je bent: vergelijking met anderen. Als ik wil weten hoe goed ik ben in hardlopen heb ik niks aan weten dat ik tien kilometer in vijftig minuten ren. Zonder dat ik weet hoe die tijd zich verhoudt tot de resultaten van andere mensen is het onmogelijk om mijn prestatie op waarde te schatten.

Op basis van vergelijking met anderen ontwikkelen we een beeld van onszelf. De Amerikaanse socioloog Charles Cooley (1864 – 1929) introduceerde hiervoor in zijn boek Human Nature and the Social Order de term “looking-glass self” of – wat minder elegant – “spiegel-zelf” in het Nederlands.

Uitsluitend via anderen kunnen we er achter komen hoe goed we zelf zijn.

In Cooley’s metafoor zijn andere mensen ieder een spiegel die ons een weerkaatsing toont van onszelf. Alléén door te kijken in die spiegels leren we onze eigen waarde.

Via hun reacties op ons gedrag houden anderen ons een spiegel voor. Als mensen herhaaldelijk lachen om mijn grapjes, ben ik blijkbaar grappig. Als mensen mij herhaaldelijk enthousiast begroeten, ben ik blijkbaar leuk gezelschap. Als niemand mij ooit een berichtje stuurt, blijkbaar niet.

En als mensen herhaaldelijk zeggen dat ik heel goed kan voetballen, dan kan ik dat blijkbaar heel goed.

Anderen geven exclusieve informatie over onszelf

Zonder de reacties van anderen op ons gedrag en op onze prestaties kunnen we onszelf niet op waarde schatten. Andere mensen zijn de enige manier om essentiële zaken over onszelf te ontdekken, omdat hun reacties unieke informatie bevatten over onze kwaliteiten.

Vanwege die afhankelijkheid zijn we zo gevoelig voor de ogenschijnlijk irrelevante meningen van deze en genen.

De Zwitserse filosoof Alain de Botton (1969) verwoordt het in zijn boek Status Anxiety als volgt:

“The attentions of others matter to us because we are afflicted by a congenital uncertainty as to our own value, as a result of which affliction we tend to allow others’ appraisals to play a determining role in how we see ourselves. Our sense of identity is held captive by the judgements of those we live among. If they praise us, we develop an impression of high merit. And if they avoid our gaze when we enter a room or look impatient after we have revealed our occupation, we may fall into feelings of self-doubt and worthlessness.”

De reacties van anderen gronden zelfkennis die we niet op andere wijze kunnen bemachtigen. Door deze exclusiviteit wordt ons gevoel over onszelf, zoals De Botton schrijft, “gevangen gehouden door de oordelen van zij waarmee we samenleven.”

En Viktor dan?

Ook Viktors zelfbeeld van toekomstige wereldster was een gijzelaar van reacties van anderen.

Hij treft dan ook nauwelijks blaam voor zijn zelfoverschatting. Immers: als de spiegels van andere mensen jou zo’n beeld tonen van jezelf, hoe moet jij dan weten dat die terugkaatsing vertekend is?

Helaas voor Viktor was dat wel zo: de informatie bleek misleidend. Andere mensen zitten er nogal eens naast met betrekking tot andere mensen.

Inclusief jou en mij.

Onschuldig

De gevangenschap waar De Botton het over heeft is een hoge prijs om te betalen voor onbetrouwbare informatie. Toch zit het in de menselijke aard om de zekerheid van opsluiting te verkiezen boven de onzekerheid van niet-weten.

Die onzekerheid is ook barstens vervelend. Gebrek aan terugkoppeling door anderen maakt ons gek. Niet weten waar je staat is vervelender dan denken te weten dat je onderaan staat.

Wat we van Viktor leren is dat een gevoel van zekerheid over onze waarde niet betekent dat we een correct idee hebben van onszelf. Ons spiegelbeeld wordt vervormd teruggekaatst door andermans reflecterend glas.

Andere mensen weten net zo weinig als wij.1 Als ons gevoel van zelf-waarde de gevangene is van de meningen van anderen, dan vaak voor een onterechte veroordeling.

Niet weten hoe goed we zijn is vervelend, maar vertrouwen op het oordeel van anderen geeft slechts de illusie van zekerheid.

Is er iets mis met bouwen op een illusie? Misschien kunnen we – sociale dieren die we zijn – niet anders en zijn mensen onvermijdelijk elkaars gevangenen. Misschien had filosoof Theodore Zeldin (1933) iets wezenlijks te pakken toen hij in An Intimate History of Humanity schreef:

“Fear has nearly always been more powerful than the desire for freedom: humans are not born free. ‘The height of misery is to depend on another man’s will,’ said Publilus Syrus [85vC – 43vC], [but] individuals depend on constant applause and admiration to sustain them. Not every [prisoner] dreams of freedom.

 

PS. Krijg een beter leven

Ik schrijf een wekelijkse nieuwsbrief waarin ik inzichten van de beste filosoof-lifehackers uitpluis en doorgrond hoe jij hun dieprgravende analyses, effectieve strategieën en vernieuwende perspectieven in kan zetten voor je eigen welvaren.

 


Voetnoten

  1. Dit stuk geeft een argument voor deze bewering.
Spread the love